Exodus, hoe het allemaal begon

 

Het is 1979. Gevangenispredikant Jan Eerbeek zit achter zijn bureau in de jeugdgevangenis in Vught, werkend aan de preek van zondag. Zijn werkkamer biedt uitzicht op de luchtplaats, waar jongens van een jaar of achttien een balletje trappen. Een jongen, Romano, kijkt naar binnen en roept: “Hé do (dominee)! Als je echt iets voor ons wil doen, dan moet je zorgen dat we naar buiten kunnen!”

Hoe komt Exodus aan haar naam?

 

Loskomen van criminaliteit
De woorden raken hem. Het ontbreekt in die tijd aan opvang en begeleiding na detentie, de samenleving zit niet ‘te wachten’ op ex-gevangenen. Veel vrijgelaten gedetineerden, zo’n 75% van het totale aantal, ziet Eerbeek snel terugkomen.  Het lukt ze niet los te komen van criminaliteit; de gevangenis is hun thuisbasis geworden…

Kelder
Gemotiveerd door zijn geloof start hij in een kelder in Den Haag het ‘Open Huis’. Samen met een aantal andere predikanten, pastores en vrijwilligers wordt de kelder omgetoverd in een huiselijke ontmoetingsplek, die twee keer per week open is. De deur staat open voor ex-gedetineerden. Niets ‘moet’. ,,Het huis stond open voor mensen, teleurgesteld in alles en iedereen in hun leven. Mensen die nergens meer in geloven en niemand vertrouwen”, vertelt Eerbeek. ,,Maar tegelijkertijd leeft bij hen diep van binnen de hoop op een beter leven en zijn ze gemotiveerd om te werken aan een nieuwe start.’’

Eerste bezoekers
Het Open Huis kent een langzame start, het geduld van de vrijwilligers wordt op de proef gesteld. Maar na verloop van tijd gaat het lopen. Romano is een van de eerste bezoekers. Er komen steeds meer bezoekers langs. Ze vullen de tijd met TV kijken, beetje sjoelen, een praatje met elkaar of vrijwilligers, boodschappen doen en koken voor de gezamenlijke maaltijd die gratis wordt aangeboden. Op het laatst worden er verjaardagen gevierd en zelfs een huwelijk ingezegend. Het huis heeft voor veel mensen betekenis.

Stap voor stap
Dit succes smaakt naar meer. Er is uitbreiding nodig, maar ook een intensiever begeleidingsprogramma. Het lukt Eerbeek en de mensen om hem heen om aan de Frankenslag in Den Haag met steun van de kerken een huis te starten, waar ex-gedetineerden onder begeleiding kunnen wonen. Met de hulp van vrijwilligers en professionele medewerkers wordt stap voor stap een begeleidingsprogramma ontwikkeld dat werkt aan een nieuwe toekomst voor de bewoners. Het programma slaat goed aan. Na enige tijd ontstaat de gedachte om het Exodus werk naar een landelijk niveau te tillen. Een goed plan, zo blijkt! In 1995 opent Exodus Utrecht haar deuren. De landelijke toon is gezet. Nu, in 2019, staan er tien Exodus huizen verspreid over Nederland en 36 nazorghuizen waar deelnemers terecht kunnen als tussenstap op weg naar volledige zelfstandigheid. Ook is er ambulante zorg, voor (ex-)gedetineerden die een eigen huis hebben. Per jaar worden er …(aantal) deelnemers in de Exodushuizen begeleid. Vrijwilligers bezoeken gedetineerden in de gevangenis of bieden zich aan als maatje voor ex-gedetineerden.

Familie
Ook hun familie of kinderen van gedetineerden kunnen op ondersteuning rekenen. Vrijwilligers rijden de kinderen naar hun vader of moeder in de gevangenis voor een bezoek in een kindvriendelijke omgeving. Het Exodus programma ‘Mijn kind en ik’ biedt vaders in de gevangenis ondersteuning bij het ‘vader zijn op afstand’. Dit jaar wordt een start gemaakt om ook licht verstandelijk beperkte mensen, die met justitie in aanraking zijn gekomen, opvang te bieden.

Exodus nu
Exodus is uitgegroeid tot een van de grootste organisaties van Nederland voor de opvang en begeleiding van (ex)gedetineerden en hun familie. Met ruim 1500 vrijwilligers en ruim 200 vaste medewerkers wordt 24/7 hard gewerkt aan een geslaagde terugkeer in de maatschappij voor de Exodus deelnemers.

Een laatste vraag aan Eerbeek: Is de kern van de organisatie veranderd in de loop der jaren? Eerbeek is stellig: ,,Die is onverminderd hetzelfde gebleven. Iedereen kan bij ons terecht, ongeacht geloof of levensbeschouwing. We werken vanuit een gevoel van bewogenheid om ex-gedetineerden weer te leren leven. Verder doen we ons best om zoveel mogelijk draagvlak binnen onze samenleving te creëren. Want we moeten het samen doen. We hebben behoefte aan een samenleving die open staat voor mensen die het minder getroffen hebben en die extra kansen krijgen om hun leven weer op de rit te krijgen.’’

Romano, de jongen die in 1979 Eerbeek had toegeroepen iets ‘echts’ te doen heeft veel los gemaakt. De jaren daarna belde hij met enige regelmaat en meldde zich dan onveranderlijk met: “Hé do, met Ro! Hoe gaat het ermee?”. Eerbeek kon dan altijd een goed verhaal vertellen.